In een G-schema worden alle gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en gevolgen genoteerd die een persoon ervaart gedurende de dag.

Waar dient een G-schema voor?

Het G-schema is een hulpmiddel dat gebruikt kan worden om erachter te komen welke (onbewuste of automatische) gedachten ertoe leiden dat een bepaalde gebeurtenis bepaalde gevoelens bij je oproept. Deze gevoelens leiden tot bepaald gedrag, dat gedrag heeft weer bepaalde gevolgen.

Uitleg ‘Gebeurtenis schema’:

Heb je kort geleden een vervelende gebeurtenis of situatie meegemaakt? Het kan helpen om op te schrijven hoe dat voor jou was en hoe je er een volgende keer mee om kan gaan. Dit kun je doen aan de hand van deze vier vragen.

Een voorbeeld:

Vervelende situatie

Gebeurtenis 

Wat gebeurde er precies, waar, met wie, wanneer?:

Ik liep alleen op straat en zag een bekende fietsen. Toen zwaaide ik maar ze fietste me straal voorbij.

Gedachten Wat dacht ik, wat ging er door mijn hoofd, wat dacht/zei ik tegen mezelf, wat vond ik er van?:

Ze is boos op mij, ze vindt me niet meer aardig. Ik ben waardeloos.

Gevoelens Wat voelde ik, welke emoties had ik?:

Schaamte, verdriet, onzekerheid.

Gedrag Wat deed ik, hoe reageerde ik?

Ik keek naar de grond en liep snel naar huis.

Gevolgen Wat was het gevolg op dit gedrag?:

Ik moest huilen en ik durf haar niet meer aan te spreken, want mijn onzekerheid is bevestigd.

Hoe vul ik een G-schema in?

  1. Gebeurtenis: zo nauwkeurig mogelijke, zo objectief mogelijke beschrijving van de ´feiten
  2. Gedachten: gesprek in je hoofd (ideeën, fantasieën, vooroordelen, waarden)
  3. Gevoelens: vaak lichamelijk te voelen (bang, boos, bedroefd, blij)
  4. Gevolgen: wat deed ik? wat deed ik niet? wat deden anderen wel of niet?

Tip: gedachten zijn niet altijd makkelijk te vinden omdat deze vaak automatisch zijn. Daarnaast zijn ze vaak ook lastig te onderscheiden van gevoelens. Probeer hier dus extra aandacht aan te geven. Een hulpmiddel om dat onderscheid te leren maken is dat gedachten in je hoofd plaatsvinden, terwijl gevoelens voornamelijk lichamelijke gewaarwordingen zijn. Bijvoorbeeld tijdens de overval dacht ik dat ik het niet zou overleven, ik voelde mij hier heel angstig bij. Dit was te zien aan mijn houding; ik stond stokstijf en ik zweette heel erg. De gedachten zijn: ik denk dat ik het niet ga overleven. De gevoelens zijn: ik voel mij angstig.

Heb je vragen hierover? Stel je vraag aan je eigen professional. Geen verbinding met een professional? Stel je vraag hier