Bij een G-schema breng je je gedachtes, gevoelens en gedrag in kaart waardoor je patronen en niet functioneel gedrag kan ontdekken. Als je begrijpt waarom je je op een bepaalde manier voelt en waarom je zo denkt en wat het gevolg is van bepaalde gedachtes en bepaald gedrag, kan je er ook eerder iets aan veranderen. 

Uitleg G-schema:

Heb je kort geleden een vervelende gebeurtenis of situatie meegemaakt? Het kan helpen om op te schrijven hoe dat voor jou was en hoe je er een volgende keer mee om kan gaan. Het is belangrijk om de gebeurtenis, gedachte, gevoel, gedrag en gevolg van elkaar te onderscheiden. Dit kun je doen aan de hand van deze vijf elementen van het G-schema:

  1. Gebeurtenis: Wat is er gebeurd? Beschrijf zo nauwkeurig en feitelijk mogelijk, alsof je door een camera kijkt.
  2. Gedachten: Wat waren mijn gedachten? Wat ging er door mijn hoofd? Wat zei ik tegen mezelf?
  3. Gevoelens: Wat voelde ik? Vaak lichamelijk te voelen (bang, boos, bedroefd, blij, beschaamd)
  4. Gedrag: Wat deed ik? wat deed ik niet? wat deden anderen wel of niet?
  5. Gevolg: Wat was het gevolg? Beschrijf de gevolgen van je gedrag

Een ingevuld voorbeeld:

Vervelende situatie

Gebeurtenis 

Wat gebeurde er precies, waar, met wie, wanneer?:

Ik liep alleen op straat en zag een bekende fietsen. Toen zwaaide ik maar ze fietste me straal voorbij.

Gedachten Wat dacht ik, wat ging er door mijn hoofd, wat dacht/zei ik tegen mezelf, wat vond ik er van?:

Ze is boos op mij, ze vindt me niet meer aardig. Ik ben waardeloos.

Gevoel Wat voelde ik, welke emoties had ik?:

Schaamte, verdriet, onzekerheid.

Gedrag Wat deed ik, hoe reageerde ik?

Ik keek naar de grond en liep snel naar huis.

Gevolg Wat was het gevolg op dit gedrag?:

Ik moest huilen en ik durf haar niet meer aan te spreken, want mijn onzekerheid is bevestigd.

Tip: gedachten zijn niet altijd makkelijk te vinden omdat deze vaak automatisch zijn. Daarnaast zijn ze vaak ook lastig te onderscheiden van gevoelens. Probeer hier dus extra aandacht aan te geven. Een hulpmiddel om dat onderscheid te leren maken is dat gedachten in je hoofd plaatsvinden, terwijl gevoelens voornamelijk lichamelijke gewaarwordingen zijn. Bijvoorbeeld: tijdens de overval dacht ik dat ik het niet zou overleven, ik voelde mij hier heel angstig bij. Dit was te zien aan mijn houding; ik stond stokstijf en ik zweette heel erg. De gedachten zijn: ik denk dat ik het niet ga overleven. De gevoelens zijn: ik voel mij angstig.

Bron: Keijsers, G. P. J., Van Minnen, A., Verbraak, M., Hoogduin, C. A. L. & Emmelkamp, P., (2017). Protocollaire behandelingen voor volwassenen met psychische klachten.

Vorige artikel

G-schema

Volgende artikel

G-schema: uitgebreid

Heb je vragen hierover? Stel je vraag aan je eigen professional. Geen verbinding met een professional? Stel je vraag hier

Do you have any questions about this? Ask your professional. Don't have a connection with a professional? Ask your questions here: